Muziekacademie toont troeven met kinderopera

In afwachting van de nieuwe huisvesting die de Hoofdstedelijke Academie voor Muziek, Woord en Dans van de Stad Brussel krijgt, toont de school haar troeven met een eerste grootpubliekoptreden: de kinderopera Decamero-Lala, een eigen productie in samenwerking met Jeugd & Muziek Brussel.

Sinds de aanstelling van de nieuwe directeur Bruno De Jonghe, drie jaar geleden, spoort de Nederlandstalige Hoofdstedelijke Muziekacademie met pakweg 410 leerlingen op een lovenswaardig doel af. Kinderen en ouders tonen dat ze het menen met de werking van de instelling, en dat een degelijke infrastructuur een basisrecht is. “We worden nu ‘geduld’ door het dagonderwijs, in lokalen die te krap zijn en niet aangepast aan onze vormingsactiviteiten. Onze leerlingen worden in de klasjes afgeleid door ornamenten die niets te maken hebben met de muzische vorming waarvoor ze komen. En we hebben ook geen eigen theaterzaal,” zegt De Jonghe. “Een goede werking en uitstraling behoeven nu eenmaal een goed dak boven het hoofd. Ik heb nu zelfs geen eigen bureau. En nu we een grootse kinderopera op de planken zetten, moeten we duur gaan huren in het Paleis voor Schone Kunsten.”

Verhuizing

Aan de toekomst van de Academie wordt gewerkt. Verhuizen is het doel en meer naar buiten treden met de prestaties van de muziek-, dans- en woordafdelingen moet velen de ogen openen. “De Stad Brussel kocht onlangs een gebouw voor bijna vier miljoen euro, tegenover het gemeenschapscentrum Nekkersdal. Daar zou de academie in cohabitatie met andere verenigingen en instellingen over drie tot vijf jaar een dak boven het hoofd krijgen. Een hele geruststelling, want een doorlichting door de kunstonderwijsadministratie bracht aan het licht dat wij op didactisch vlak wel mooi scoren, maar op het vlak van infrastructuur kregen we een nul op tien. Met andere woorden, als we niets ondernamen, zou de muziekacademie afgeschaft worden.”

Van opstel tot kinderopera

De Jonghe bleef niet bij de pakken zitten. Een vormingsproject met een performance zou het nut van de instelling aan iedereen duidelijk maken. Twee jaar geleden werd dankzij het Fonds Monique Verrept een cd gerealiseerd met eigen composities, vertrekkend van een aantal opstelletjes uit de Nederlandstalige scholengemeenschappen van de stad. “Veel kinderen in deze scholen zijn allochtoon of hebben Franstalige ouders. Vandaar enige Nederlandstalige taalachterstand,” vertelt De Jonghe. “Via de lessen muzische vorming worden ze op een speelse manier vertrouwd gemaakt met het Nederlands. We vroegen hun opstelletjes te maken over hun beleving van de stad. We kregen wel 600 teksten binnen. Daar haalde de auteur Henk Pringels (geeft les in de academie, red.) materiaal uit voor tien liederen. Componist Vincent Ghadimi (leerkracht notenleer, red.) orkestreerde de liederen en maakte er een kinderopera van één uur van, voor koor, orkest, solisten en dansers van de diverse academieafdelingen. Rode draad is het Decamerone-verhaal, verweven met een kindersamenleving gezien vanuit een tiende bol van het Atomium.”

Steun uit alle hoeken

Ook Jeugd & Muziek Brussel zette zijn schouders onder het vormingsproject. Ouders en leerkrachten naaiden kostuums. Leerlingen zang vormden een koor. De leerkrachten brachten een eigen gelegenheidsensemble van veertien man op de been. “De bedoeling van het project is na de publieksvoorstelling op tournee te gaan langs het dagonderwijs. Gemeenten als Galmaarden en Wemmel blijken al geïnteresseerd.” Maar eerst zet de kinderopera Decamero-Lala de tenten neer in een theaterzaal van het Paleis voor Schone Kunsten. “We kregen hiervoor van de Vlaamse Gemeenschapscommissie een subsidie van 10.000 euro, waarmee zware kosten zoals de zaalhuur en de belichting gefinancierd kunnen worden. Privé-sponsors als Marcolini zorgen voor verrassingen voor de kinderen. En de Stad Brussel steunt ons logistiek, zoals met de aanmaak van achtduizend flyers, die bijna allemaal de deur uit zijn. Nu de grote voorstelling eraan komt, krijg ik het gevoel dat we niet langer een ‘spookacademie’ in de stad zijn.”